Het is ‘nu of nooit’ voor het klimaat, wat als het ‘nooit’ is?

Zes vragen en antwoorden naar aanleiding van het nieuwste klimaatrapport

Op 4 april kwam het nieuwe IPCC-rapport uit met als kern: het is ‘nu of nooit’ voor het klimaat. De uitstoot van broeikasgassen moet zo snel mogelijk omlaag, anders is het 1,5-gradendoel definitief uit beeld. ‘Nu of nooit’ is vertaald in een scenario dat de uitstoot vóór 2025 moet pieken om daarna pijlsnel naar beneden te gaan. De verslaafde die moet afkicken mag nog een paar shotjes zetten voordat de hel losbreekt. 

Waarom is dat 1,5 gradendoel ook alweer zo belangrijk?

Dat is omdat opwarming van de aarde met maximaal 1,5 graden als nog relatief ‘veilig’ wordt gezien. Maar: we zijn ‘pas’ met 1,1 graden opgewarmd en wereldwijd zien we nu al dramatische gevolgen. Denk aan ongewone droogte, hitte en bosbranden in Australië, het westen van de VS en ook in de poolcirkel. Denk aan meer en sterkere tornado’s, denk aan smeltende toendra’s die extra methaangas laten vrijkomen. Denk aan enorme hoeveelheden neerslag in (wederom) Australië maar ook in Limburg vorig jaar. Denk ook aan droogte en hongersnood in bijv Madagaskar, Kenia, Somalië en Ethiopië. De ontwrichting wordt elk jaar groter. Tenzij we drastisch bijsturen, is de aarde aan het einde van de eeuw 2 à 3 graden opgewarmd.

Maar eigenlijk wisten we dat allemaal al. Dus wat moeten we hier nu mee? Tijd voor een aantal prangende vragen.

Hoe groot is de kans dat de boodschap nu wel wordt opgepikt?

De boodschap is bekend, maar de omzetting in acties gaat vreselijk langzaam. Politici lopen op eieren en willen daarbij liefst niemand voor het hoofd stoten, zo lijkt het. De Russische invasie helpt ook niet echt mee. Internationaal gaat nu alle aandacht naar de oorlog en niet naar het klimaat. Omdat landen zo snel  mogelijk van Russisch olie en gas af willen, komen zelfs het schadelijke fracking en de vervuilende kolen opnieuw in beeld. Tegelijkertijd benadrukt de invasie de noodzaak om energie te besparen, als het al niet  primair voor het klimaat is, dan toch zeker uit geopolitieke overwegingen en om simpelweg kosten te besparen. Tijd is de bepalende factor. Iedere dag dat de uitstoot nog stijgt, raakt het 1,5-gradendoel verder uit beeld. Omgekeerd helpt elk stukje energiebesparing en elke overstap naar hernieuwbare energie mee om de schade voor het klimaat te beperken.

Heeft waarschuwen nog wel zin?

Rationeel gezien zou je verwachten dat waarschuwingen tot versnelde actie leiden. In de praktijk is er helaas weinig van te merken. Er lijkt een soort leemlaag van weerstand en gezapigheid te zijn die heel hardnekkig is. Deels wellicht vanuit onwennigheid met de nieuwe situatie die bestaande inzichten onbruikbaar maakt. En deels wellicht ook ingegeven door ongeloof: het zal zo’n vaart toch niet lopen? Daarom is het extra belangrijk om de druk er op te houden, zeker bij de besluitvormers.

Maar voor burgers lijken waarschuwingen wel zo’n beetje uitgewerkt. Mijn theorie is dat dit mede een gevolg is van jarenlange oefening in het wegkijken van alle ellende en oneerlijke ongelijkheid in de wereld. Het verschil in welvaart en kansen tussen ‘hier’ en ‘daar’ is te groot om te bevatten en als je daar echt iets aan wilt doen betekent dat dat je uit je comfortzone moet stappen. Niet alleen als het gaat om het delen van welvaart, maar ook qua doorbreken van de geldende consensus. Beide doen pijn en mensen zijn groepsdieren, dus de drempel om die stappen te zetten is hoog. Omgekeerd biedt dit ook weer kansen: als maar genoeg mensen klimaatbewust handelen, trekken ze vanzelf anderen mee. De vraag is hoe dit proces kan worden versneld.  

Willen burgers dan niks doen voor het klimaat?

Dat valt dus gelukkig mee. Volgens een recent artikel willen burgers wel veranderen, maar wachten ze op de politiek en het bedrijfsleven. “De belangrijkste barrières die klimaatvriendelijk gedrag in de weg staan zijn gebrek aan geld, … gebrek aan kennis en gebrek aan motivatie.”

Neem als voorbeeld de prijs van elektrische auto’s. Die ligt nog een heel stuk hoger dan die van vergelijkbare auto’s die op fossiele brandstoffen rijden. De overheid geeft subsidie op de aanschaf van elektrische auto’s, maar dat neemt het prijsverschil niet weg. Maar de gelukkige bezitters van een elektrische auto zijn zeker bij de huidige brandstofprijzen wel goedkoper uit met de lopende kosten. Zeker als ze ook nog eens kunnen laden met stroom uit eigen zonnepanelen. Dit leidt tot scheve gezichten bij degenen die de aanschafprijs niet kunnen betalen, helemaal omdat zij via de belastingen meebetalen aan de subsidies.

Op de achtergrond speelt hierbij de competitie tussen individuen die onderdeel is van ons systeem. Groot, mooi, duur en snel zijn tekenen van status. En we zijn getraind om er snel bij te zijn bij koopjes, want op = op en jouw geluk kan zomaar ten koste gaan van mijn geluk. Dat elektrische auto’s onbereikbaar zijn voor mensen met lage inkomens gaat op die manier ten koste van het draagvlak voor de energietransitie en heeft een negatief effect op het tempo van de emissiereductie. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het gebrek aan goede isolatie en zonnepanelen bij veel huurwoningen. 

Burgers kijken volgens de onderzoeker dus vooral naar politiek en bedrijven. Over het getreuzel van de politiek hebben we het al gehad. En helaas voor de mensheid heeft een deel van het bedrijfsleven totaal geen belang bij het stoppen met olie en gas omdat hun complete businessmodel daarop gebaseerd is. Denk aan de olie- en gasindustrie, denk aan de luchtvaart. Zij doen er dan ook alles aan om een mistig beeld te creëren. Ook hier is de politiek leiderschap nodig.

Allemaal goed en wel, hebben we eigenlijk een plan?

Goede vraag, en het eerlijke antwoord is meer ‘nee’ dan ‘ja’. Tenminste, als je bij ‘plan’ aan een actieplan denkt waarmee het doel, namelijk de temperatuurstijging onder 1,5 graden te houden, met redelijke mate van zekerheid kan worden gehaald. Daar zijn verschillende redenen voor.

Om te beginnen heeft Nederland ervoor gekozen om in samenspraak met de o.a. werkgevers en werknemers tot een aanpak te komen. Deze aanpak is vastgelegd in het Klimaatakkoord. Het akkoord gaat echter over reductie van de uitstoot met 49% in 2030 (t.o.v. 1990), en dat is maar een eerste stap om onder de 1,5 graden te blijven. In de uitvoering heeft de overheid een belangrijke rol (geld, kennis, wetten en regels) maar blijven sectoren primair verantwoordelijk. Concrete acties moeten nog verder worden uitgewerkt. Daar komt bij dat de Nederlandse Klimaatwet er op het eerste gezicht indrukwekkend uitziet maar niet matcht met het 1,5 gradendoel.

We hebben dus een situatie met een enorme opgave in zeer korte tijd, en een overheid die met een deels geflatteerde Klimaatwet aan de slag gaat op een manier waarbij de verantwoordelijkheid voor de voortgang over een grote groep actoren is verspreid. Dat is niet wat je zou verwachten in de noodsituatie waarin we zo langzamerhand zijn beland.

Het is natuurlijk vloeken in de neoliberale polderkerk, maar het afwenden van een zo groot gevaar van onze samenleving in een zo beperkte tijd vraagt eerder om een crisis- dan een polderaanpak. Denk bijvoorbeeld aan de enorme inspanning die de VS leverde om een oorlogseconomie op te tuigen waarmee het land de oorlog tegen Japan en Hitler-Duitsland tot een goed einde heeft kunnen brengen.

Het bovenstaande ging over de situatie in Nederland. In de meeste andere landen is het echter niet beter geregeld en op wereldniveau is het helemaal bar en boos. Er is niemand die ‘in charge’ om deze grootste bedreiging van de mensheid af te wenden. Landen zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen acties of beter gezegd: het gebrek eraan. En zij rapporteren daar over aan de volgende klimaatconferentie, maar die conferentie beschikt niet over sancties. Typerend is ook dat de rijke landen hun toezeggingen om de arme landen financieel te helpen met de energietransitie en de aanpassing aan het veranderend klimaat continu niet nakomen.

Het is ‘nu of nooit voor het klimaat, wat als het ‘nooit’ is?

Gezien het ontbreken van een mobiliserend urgentiegevoel en een adequaat actieplan, in Nederland en daarbuiten, zou het meer geluk dan iets anders zijn als we de opwarming onder de 1,5 graden zouden kunnen houden.

De meesten van ons hebben geen idee wat de klimaatcrisis gaat betekenen. We kunnen het ons gewoon niet voorstellen en dat is ook niet zo gek, want we hebben dit nog niet meegemaakt. Niemand heeft dit  ooit meegemaakt. Dit is de eerste keer dat het ons overkomt, en waarschijnlijk meteen ook de laatste keer.

Maar het helpt natuurlijk wel om je er in die gevolgen te verdiepen, en er is behoorlijk wat over geschreven. Niet alleen door het IPCC, maar bijvoorbeeld ook door Gwynne Dyer (Climate wars) en Mark Lynas (Six degrees).

Oké, de kans is dus op zijn minst aanwezig dat we niet onder die 1,5 graden blijven. Betekent dit dat we nu alles uit handen kunnen laten vallen en er op los kunnen leven? Dat zeker niet, want we hebben te maken met een glijdende schaal, het kan dus altijd erger. Elke tiende graad meer of minder maakt verschil voor de schade waar we mee worden geconfronteerd. Fysiek, en psychisch. Want hoe gaan mensen reageren als duidelijk wordt dat het voorgespiegelde Zwitserlevengevoel er niet meer gaat komen? Dat de toekomst, althans in fysieke en economische zin, er niet beter maar slechter op wordt? In wat voor samenleving komen we dan terecht?

De prangende vraag is of we de veerkracht en de solidariteit kunnen ontwikkelen om een positieve draai aan dit verhaal te geven. En om als de wiedeweerga te stoppen met fossiele brandstoffen. 

Deze opinie verscheen op 10 april 2022 op Joop.nl

Met de klimaatcrisis staat alles op het spel

Dat het wel goed zou komen was een kwaadaardige leugen, op zijn best een fatale inschattingsfout

In 2009 schreef ik een boek over klimaatverandering en schrok ik me wezenloos. De situatie was toen al ernstig en de vooruitzichten waren belabberd. Om er een positieve draai aan te geven voegde ik er tips aan toe wat een ieder kan doen om de crisis af te wenden. Duurzaam consumeren, duurzaam bankieren, duurzaam stemmen, dat soort dingen. Optimistisch noemde ik het boek “Korte metten met de klimaatcrisis”. 

Het heeft niet mogen baten. Het lijkt alsof we in een klassieke rampenfilm zitten, met een heel lange aanloop naar de daadwerkelijke ramp. Wetenschappers die decennia lang waarschuwen, slechteriken die met onjuiste informatie twijfel zaaien, politici die om de hete brij heen draaien, burgers die het allemaal maar verwarrend  en ongemakkelijk vinden. Met een Secretaris-Generaal van de VN die bijna wanhopig waarschuwt dat “We are coming to a point of no return”.

Je ziet het pas als je het ziet

Voor wie het wil zien: er is steeds meer opwarming in ons land en wereldwijd, steeds meer afsmelting van ijskappen en gletsjers, steeds meer droogte, steeds meer extreem weer, steeds meer enorme bosbranden. Afgelopen week werden temperatuurrecords in Canada verpulverd (49,6 graden Celsius). Het dorpje waar het record werd gevestigd werd even later vernietigd door een bosbrand. In de bijbehorende hittegolf zijn honderden doden gevallen. Mensen zoeken verkoeling in koelcentra en ondergrondse parkeergarages. In Zuid-Limburg, België en Duitsland kwamen straten blank te staan door wolkbreuken.

De jaren 2020 en 2016 zijn wereldwijd de tot nu toe warmste jaren ooit gemeten. De periode 2011 – 2020 is het warmste decennium ooit gemeten.

Jarenlang is ons voorgehouden dat we de klimaatcrisis kunnen afwenden met economische en technologische innovaties. Dat er nog tijd genoeg was, met als ondertiteling: leef, stem, consumeer rustig door, het komt wel goed. Het blijkt een kwaadaardige leugen te zijn geweest, op zijn best een fatale inschattingsfout.

De klimaatcrisis is er al, en is aan het versnellen. De schade aan mensen, dieren, natuur en economie treedt nu al op en zal verder toenemen. Zelfs als we vandaag zouden stoppen met het uitstoten van broeikasgassen – waartoe we overduidelijk niet in staat zijn – gaat de opwarming nog decennia door. Dat komt door de enorme hoeveelheden broeikasgassen in de atmosfeer die daar nog een hele tijd blijven zitten. Het ijs op de poolkappen smelt nu al massaal waardoor minder energie van de zon wordt teruggekaatst en de aarde verder opwarmt. Net als de permafrost nu al aan het smelten is waardoor grote hoeveelheden methaan vrijkomen, óók een krachtig broeikasgas. We zijn op weg naar 2 à 3 graden opwarming en misschien nog wel meer.

Het is een moeilijk te bevatten en te verteren boodschap. We hadden dit kunnen voorkomen, maar we hebben het verprutst.

Alle ballen op de politiek

Maar dat betekent niet dat we nu lijdend, rouwend en fatalistisch achterover kunnen hangen. De eerste opgave is en blijft om zo snel mogelijk de kraan van de broeikasgassen dicht te draaien. We moeten redden wat er te redden valt en elke tiende graad opwarming meer of minder telt. De tweede opgave is om ons voor te bereiden op voortgaande klimaatontwrichting. Klimaatadaptatie heeft nu nog vooral betrekking op het aanpassen van onze fysieke leefomgeving aan overvloedige hitte en neerslag en het beschermen tegen overstromingen. Maar de klimaatcrisis raakt veel meer facetten van onze samenleving, in feite zo’n beetje alle facetten, maar daarover een volgende keer meer. Het probleem negeren is geen optie meer. We moeten nu echt aan de slag. Ook al klinkt dat een beetje grijsgedraaid.

Ik spreek steeds meer mensen die ook wel zien dat het snel de verkeerde kant op gaat. Volgens het CBS maakt drie kwart van de bevolking zich zorgen over de gevolgen van klimaatverandering voor toekomstige generaties (voorjaar 2020). Het is niet voor niks dat steeds meer bedrijven hun reclame voorzien van een – vaak bijzonder creatief – groen sausje. Consumenten vragen steeds meer om producten en diensten met zo min mogelijk milieuschade. Maar om echt een deuk in een pakje boter te slaan moet de politiek in beweging komen. De grote klappers kunnen alleen met systeemveranderingen worden bereikt. En die kunnen alleen door de politiek worden besloten. Onder meer Urgenda en de Social Tipping Point Coalitie hebben er alvast concrete voorstellen voor uitgewerkt.

Het wachten is nu op het moment dat kinderen, jongeren, ouders, ooms, tantes en grootouders massaal de straat op gaan om van Den Haag actie te eisen voor nog een beetje leefbare toekomst. Gaat niet gebeuren, zegt u? Ik denk dat dat moment steeds dichter bij komt. Want dringend nodig is het. Alles staat nu op het spel.

Deze bijdrage verscheen 3 juli 2021 op Joop.nl

Nieuw kabinet moet toekomst verkennen met klimaatscenario’s

We tasten in het duister over hoe klimaatverandering ons leven gaat beïnvloeden

Omdat we – gelukkig maar – nog geen klimaatcrisis hebben meegemaakt, weten we dus ook niet uit ervaring hoe een opwarming met 2 of zelfs 3 graden ons leven gaat beïnvloeden. Of hoe we ons daarop kunnen voorbereiden.

En dat is een probleem. Door de verandering van het klimaat is onze toekomst ongewisser dan zij sinds het einde van de Koude Oorlog is geweest. Klimaatverandering is een echte gamechanger en heeft invloed op vrijwel alle beleidsterreinen.

Het gaat daarbij niet alleen om zeespiegelstijging, wateroverlast of waterschaarste cq. verdroging. Het gaat ook over de ontwikkeling van de economie en de werkgelegenheid, om inzicht in welke bedrijfstakken gaan krimpen of juist groeien, om effecten op de gezondheid, biodiversiteit, landbouw, voedselvoorziening, infrastructuur, om nationale en internationale veiligheid en om migratie. En zoals we met de gele hesjes in Frankrijk hebben gezien, heeft klimaatbeleid ook nog eens de potentie om maatschappelijke tegenstellingen aan te wakkeren en daarmee de politieke stabiliteit te beïnvloeden.

Scenario’s als hulpmiddel

Alleen een ziener kan in de toekomst kijken, maar gelukkig zijn er wel manieren om toekomstige ontwikkelingen op systematische wijze te verkennen. Een hulpmiddel dat hierbij vaak wordt ingezet, is het opstellen van scenario’s. Op de assen van een assenkruis worden twee onafhankelijke variabelen met grote impact gezet. Vervolgens worden de kwadranten van het assenkruis ‘ingevuld’ met mogelijke toekomsten. Zo hebben de Nederlandse planbureaus in 2004 in hun publicatie ‘Vier vergezichten op Nederland’ meer of minder internationale samenwerking en een grote rol voor de overheid of juist een grote rol voor de markt als variabelen gekozen. In de ‘Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving’ uit 2006 is gekozen voor scenario’s met groei van de economie en groei van de bevolking als variabelen.

Het ‘bouwen’ van scenario’s is een bewerkelijke klus. Daar staat tegenover dat scenario’s veel inzicht opleveren, bijvoorbeeld in welke maatregelen in de onderzochte toekomsten goed uitpakken. Maar scenario’s laten ook zien waar je extra alert op moet zijn en wat je vooral niet moet doen. Het is dus slim om scenariostudies te laten uitvoeren. Alleen beschikt onze overheid nog niet over toekomstscenario’s met klimaatverandering in de hoofdrol.

Gelukkig wordt er al het een en ander onderzocht. Zo heeft het IPCC de invloed van o.a. klimaatverandering op onze voedselvoorziening onderzocht. Conclusie is dat als we zo doorgaan, er vanaf 2050 voedseltekorten dreigen. De Amerikaanse regering benoemt  klimaatverandering als existentiële bedreiging van de veiligheid. En in Nederland wordt  onderzoek gedaan naar scenario’s voor zeespiegelstijging. Maar een alomvattende verkenning van de economische, fysieke en sociale effecten van klimaatverandering voor Nederland ontbreekt dus nog. En dat is een groot gemis. Want hoe kunnen we inspelen op kansen en bedreigingen zolang we ze niet systematisch in kaart brengen?

Een bijkomend voordeel van klimaatscenario’s is dat ze ons beter in staat stellen om te discussiëren over de vraag op welke toekomst we willen sturen. En dat hierdoor mogelijk het urgentiegevoel met betrekking tot de risico’s van klimaatverandering toeneemt.

Kabinetsformatie

Momenteel vindt in Den Haag de inhoudelijke verkenning plaats voor de vorming van een nieuw kabinet. Maatregelen om de klimaatcrisis te temperen en om de economie op een duurzamere koers te brengen zijn daar een belangrijk onderdeel van.

Het zou dan ook verstandig zijn om de gevolgen van de klimaatverandering voor Nederland in kaart te brengen. Momenteel zitten we wereldwijd al op een opwarming van 1,2 graad Celsius en alleen bij wereldwijde en grootschalige actie op de héél korte termijn is het mogelijk om onder de 1,5 graad opwarming te blijven. Overigens warmt het landoppervlak sneller op en is Nederland nu al 2 graden Celsius opgewarmd. Met de huidige beloften van landen om hun uitstoot te reduceren zitten we op een koers van opwarming met 3 graden.

De kabinetsformatie is een perfect moment om een brede scenariostudie af te spreken. De opdracht zou kunnen luiden: onderzoek de effecten van klimaatverandering op de ontwikkeling van de Nederlandse economie en de werkgelegenheid, gezondheid, biodiversiteit, landbouw, voedselvoorziening, infrastructuur, nationale en internationale veiligheid, migratie en politieke stabiliteit, ook in onderlinge interactie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de voedselproductie die onder druk komt waardoor prijzen stijgen, er onrust onder de bevolking ontstaat, migratiestromen verder toenemen en de politieke stabiliteit onder druk komt.

Breng daarbij in kaart welk beleid nuttig is om negatieve effecten te dempen en om positieve effecten te versterken. En doe dat voor een temperatuurstijging van 1,5 (basisscenario), 2 en 3 graden Celsius wereldwijd. Op de andere as zou je bijvoorbeeld ‘(internationale) samenwerking/solidariteit’ versus ‘ieder voor zich’ kunnen plaatsen.

Het is hoog tijd dat we beter zicht krijgen op hoe onze toekomst er met klimaatverandering uit ziet. Zodat we ons optimaal kunnen voorbereiden. Aan de slag!

Dit artikel verscheen 21 mei 2021 op Joop.nl

Vastgelopen verduurzaming woningen vraagt om nieuw leiderschap

Oprichting Rijksverduurzamingsbedrijf door nieuw kabinet is een logische stap

Zoals bekend moet Nederland flink aan de bak om aan het Verdrag van Parijs te voldoen. Dat geldt ook voor het verduurzamen van woningen, kantoren en andere gebouwen.

En die verduurzamingsopgave is gigantisch. Zo spreekt het Klimaatakkoord (2019) in het hoofdstuk Gebouwde Omgeving over “een aanpassing van onze ruim 7 miljoen huizen en 1 miljoen gebouwen, veelal matig geïsoleerd en vrijwel allemaal verwarmd door aardgas, tot goed geïsoleerde woningen en gebouwen, die we met duurzame warmte verwarmen en waarin we schone elektriciteit gebruiken of zelfs zelf opwekken. Dat gaan we tot 2050 stapsgewijs en samen met bewoners en eigenaren van deze gebouwen doen.”

Het plan was om al in 2021 meer dan 50.000 woningen te verduurzamen en dan snel door te groeien naar 200.000 per jaar zodat er in 2030 al 1,5 miljoen woningen aardgasvrij zijn.

Oorzaken van vertraging

Maar met dat verduurzamen schiet het nog niet zo op: volgens Nieuwsuur staat de teller pas op enkele honderden huizen. Het is interessant om te onderzoeken wat daar de oorzaken van zijn.  

Het Planbureau voor de Leefomgeving onderzocht wat de ervaringen zijn van de gemeenten die voorop lopen met het aardgasvrij maken van wijken. Het blijkt dat zij last hebben van de Europese aanbestedingsregels omdat die voor vertraging zorgen. Ook hebben zij er last van dat de nieuwe Warmtewet nog niet af is. Daarnaast hebben gemeenten vaak moeite om de benodigde kennis, kunde en tijd vrij te maken. Wat ook niet helpt is dat er nog geen breed gedragen verhaal over nut en noodzaak van een aardgasvrije woonomgeving is. Daardoor valt het niet mee om draagvlak in de wijk te creëren. Dit zijn allemaal knelpunten die op het niveau van de Rijksoverheid liggen.

In de praktijk blijkt het ook lastig om hele wijken in één keer te verduurzamen. Er is meer maatwerk nodig dan gedacht, zowel voor de woningen als voor de bewoners. Elk huis en elke bewoner zit anders in elkaar.

Individuele huiseigenaren die zelf aan de slag willen, lopen tegen andere problemen aan. Zij krijgen te maken met aannemers die vanwege drukte niets van zich laten horen, tegenstrijdige adviezen of bedrijven die maar een deel van de oplossing aanbieden. Daar komen vaak nog twijfels bij over de kwaliteit van de bedrijven, de geoffreerde oplossing en de kostenraming. Wat betreft de financiering zijn er mogelijkheden voor een duurzaamheidslening met aantrekkelijke voorwaarden, maar iemand moet wel heel zeker van zijn of haar zaak zijn om een extra lening af te sluiten. Op deze manier is verduurzamen vooral iets voor de echte doorzetters.

Wat bij dit alles ook niet echt helpt is een oplopend tekort aan technisch geschoold personeel. Het zou om tienduizenden mensen gaan.

Nieuw leiderschap

Is de situatie gezien deze waslijst van problemen dan hopeloos? Niet per se, want zodra de oorzaken in beeld zijn, kan er worden gewerkt aan oplossingen.

Werk aan de winkel dus voor het nieuwe kabinet: duidelijk nut en noodzaak van de energietransitie neerzetten, keuzes maken en knelpunten oplossen. Het Rijk mag niet langer de moeilijke kwesties bij de gemeenten over de schutting kieperen. Althans niet zonder passende oplossingen in de vorm van een duidelijk doel, adequate wet- en regelgeving en voldoende middelen. Het Rijk moet de regie gaan voeren om een voorspoedige voortgang van het verduurzamen mogelijk te maken.

Een belangrijke knoop die op Rijksniveau doorgehakt moet worden is die van de financiering. Als het doel is om alle woningen te verduurzamen, is het onvermijdelijk een voorziening te treffen voor huiseigenaren die het geld daarvoor niet hebben. Het adagium dat iedereen zijn of haar eigen broek moet ophouden gaat hier niet langer op. Het zou immers betekenen dat het energiebesparingsdoel niet gehaald zou worden met negatieve (klimaat)gevolgen voor alle inwoners. Linksom of rechtsom zitten we met z’n allen in hetzelfde schuitje.

Oprichting verduurzamingsbedrijf

Maar hoe vervolgens uitvoering te geven aan deze gigantische klus? Dat kan bijvoorbeeld door een  verduurzamingsbedrijf op te richten. Dat kan op verschillende schaalniveaus: Rijk, provincies, regio’s en/of gemeenten. Voorbeelden op Rijksniveau zijn Rijkswaterstaat en RVO, beiden agentschappen. Onderzoek zal moeten uitwijzen wat de meest geëigende schaal en vorm is. De opdracht van zo’n verduurzamingsbedrijf zou in ieder geval de volgende vijf taken moeten omvatten:  

  1. Een aanbod doen voor het isoleren van woningen naar een niveau dat geschikt is voor verwarming met een warmtepomp en het vervolgens installeren van zo’n pomp. Wanneer een gemeente besluit tot het aanleggen van een warmtenet dat duurzaam gevoed kan worden, wordt een aanbod gedaan voor  een isolatieniveau dat past bij het warmtenet. Wellicht kan er in dat geval worden volstaan met een iets lichter isolatiepakket. Maar ook hier geldt: energie die je niet verbruikt, hoef je ook niet op te wekken.
  2. Het daarbij doen van een uitgewerkt financieringsvoorstel. Het inzetten van de uitgespaarde energielasten maakt daar logischerwijs deel van uit. In veel gevallen zal aanvullende financiering nodig zijn.
  3. Het zorg dragen voor uitvoering. Dat kan via de markt of via een dochterbedrijf.
  4. Het garanderen van kwaliteit en het garant staan voor eventuele problemen.
  5. Het zorg dragen voor het opleiden van een grote pool nieuwe medewerkers.

Een huiseigenaar mag het aanbod van het verduurzamingsbedrijf weigeren – het gaat immers om privaat eigendom – dus het aanbod moet zodanig aantrekkelijk zijn dat hij of zij het aanbod redelijkerwijs niet zou moeten willen weigeren. De opdracht voor het verduurzamingsbedrijf duurt totdat alle woningen zijn verduurzaamd.

Een voor de hand liggend argument tegen het oprichten van een verduurzamingsbedrijf is dat dit tegen het uitgangspunt in gaat dat de huiseigenaar verantwoordelijk is, ‘de markt’ het probleem moet oplossen en ‘de overheid’ zo terughoudend mogelijk moet zijn. Het antwoord daarop is dat we ons in een uitzonderlijke situatie bevinden. De klimaatcrisis is aan het escaleren en de opgave van de energietransitie is zo groot dat we met de bestaande werkwijze de opgave niet op tijd kunnen vervullen.

En uiteraard is ook een andere organisatievorm dan een verduurzamingsbedrijf  bespreekbaar, mits de uitvoering van de beschreven taken maar wordt geborgd. In die zin is een verduurzamingsbedrijf vooral ook een metafoor voor nieuw leiderschap aan de kant van de overheid. Het gaat er om met professionaliteit en doorzettingskracht voor te zorgen dat de gigantische klus op tijd wordt geklaard. Wie wat betreft schaal en daadkracht een voorbeeld uit het verleden zoekt, kan ironisch genoeg inspiratie opdoen bij de aanleg van het aardgasnet in de jaren zestig.

Dit artikel verscheen 8 april op Joop.nl

Nederland matste zichzelf met zijn Klimaatwet

Met dit klimaatdoel weten we zeker dat we niet onder de 2 graden uitkomen

Sinds 2019 heeft Nederland een Klimaatwet. In de wet staat dat de CO2-uitstoot in 2050 95% lager moet zijn dan in 1990. Ook is er een tussendoel van 49% minder uitstoot in 2030 en moet de elektriciteitsproductie in 2050 volledig CO2-neutraal zijn. Nederland wil op deze manier aan het Verdrag van Parijs voldoen

Dit klinkt op het eerste oog allemaal heel logisch, maar hoe kan het dat andere landen en organisaties tot een compleet andere invulling van het Verdrag van Parijs komen? Zo wil China in 2060 klimaatneutraal zijn, wil de EU in 2050 voor 100% klimaatneutraal zijn, stelt de Partij voor de Dieren in haar Klimaatwet 1.5 voor om in 2030 klimaatneutraal te zijn en zegt Extinction Rebellion dat dit al in 2025 noodzakelijk is. Hoe kan dat en hoe zit dat nou precies? Ik ging op onderzoek uit. 

Verdrag van Parijs: 1,5 of graden?

Een deel van de verklaring is meteen al in artikel 2 van Verdrag van Parijs te vinden. Daar staat dat het doel is om de gemiddelde temperatuurstijging “ruim onder de 2 graden Celsius te houden en inspanningen te leveren om de stijging tot 1,5 graden te beperken”. Dus eigenlijk is iedere stijging ‘ruim onder 2 graden’ prima. Maar wat betekent ‘ruim’? Landen mogen zelf kiezen of ze gaan voor 1,5 of toch meer richting 2 graden. Deze keuze bepaalt hoeveel CO2 het land nog mag uitstoten.

In een tabel van klimaatwetenschappers kun je opzoeken hoeveel CO2 we nog mogen uitstoten voor een bepaalde temperatuurstijging en hoeveel kans er dan is om onder die limiet te blijven. Hoe lager de temperatuurstijging en hoe hoger de kans die je daarbij nastreeft, hoe lager de bijbehorende uitstoot. Er wordt gerekend met kansen van 33, 50 en 66 procent. Één van de klimaatwetenschappers waar ik contact mee had, zei daarover: “Zou jij in een vliegtuig stappen dat 66% kans heeft veilig aan te komen”?

Goed punt. Dus waarom wordt er niet (ook) gerekend met bijvoorbeeld een kans van 95 procent? Als het doel zo belangrijk is, namelijk het voortbestaan van onze manier van leven, wil je toch zeker weten dat je het doel gaat halen? Het antwoord zou kunnen zijn dat het CO2-budget heel veel lager uitkomt bij een kans van 95 procent dan bij 66 procent, en er dus sneller en meer op de uitstoot bespaard moet worden. En dat we die realiteit nog niet onder ogen willen zien.

Waar Nederland voor kiest

Maar waar heeft Nederland nou precies voor gekozen? Voor 1,5 of 2 graden? In de Klimaatwet staat alleen een verwijzing naar het Verdrag van Parijs. Daarom ben ik gaan kijken in de Memorie van Toelichting op de Klimaatwet. Maar daar staat het ook niet. In die toelichting wordt wel een aantal keren verwezen naar een rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) uit 2016. Het rapport heet “Wat betekent het Parijsakkoord voor het Nederlandse langetermijn-klimaatbeleid?”, zie ook de link onderaan dit artikel.

In dat rapport zegt het PBL dat een 1,5 gradendoel “nauwelijks voorstelbaar” is zonder een flinke hoeveelheid negatieve emissies. Negatieve emissies ontstaan bijvoorbeeld door veel bomen te planten of CO2 af te vangen en onder de grond te stoppen. In de toelichting op de Klimaatwet staat: “De indieners willen negatieve emissies niet op voorhand uitsluiten, maar toekomstige generaties ook de mogelijkheid bieden om de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs met zo min mogelijk negatieve emissies te halen.” Deze wens is kennelijk voldoende reden om het 1,5 gradendoel buiten beeld te schuiven. Hoe dan ook, zonder het expliciet op te schrijven wordt in de Klimaatwet gekozen voor het 2 graden-scenario (zonder negatieve emissies) van het PBL. Het geformuleerde doel van de Klimaatwet – een reductie van de CO2-uitstoot met 95% in 2050 – komt in ieder geval precies overeen met het 2 graden-scenario (zonder negatieve emissies) in het rapport van het PBL.

Iedereen gelijk, of toch maar niet?

Nederland kiest er met zijn Klimaatwet dus voor om te gaan voor het 2 gradendoel. Maar er is nog een belangrijke keuze te maken, namelijk hoe verdeel je het resterende wereldwijde CO2-budget over de landen? Mag iedere wereldburger evenveel uitstoten, of mogen bewoners van rijke landen meer uitstoten, omdat ze nu ook al meer uitstoten? Als je kiest voor iedereen evenveel rechten, dan krijgt een klein land als Nederland relatief weinig CO2-budget en zijn we in heel korte tijd door dat budget heen, puur omdat we elk jaar zoveel uitstoten. De arme landen krijgen dan wat meer ruimte. Ook deze kwestie werd niet geregeld in het Verdrag van Parijs – er was geen overeenstemming over – en landen zijn dan ook vrij om ook hierin eigen keuzes te maken.

In zijn rapport kiest het PBL ervoor de huidige uitstootverdeling als beginpunt te nemen en  landen langzaam naar elkaar toe te laten groeien totdat in 2050 de uitstoot per hoofd van de wereldbevolking gelijk is, namelijk ongeveer nul. En in de tussentijd heeft Nederland nog flink veel voordeel van zijn historische ‘voorsprong’.

Deze hele kwestie staat nogal bedekt in het rapport van het PBL, terwijl dit best een belangrijke keuze is. Letterlijk staat er: “Op basis van een aanname van gelijke wereldwijde emissie per hoofd in 2050”. Als niet een klimaatwetenschapper mij in een email er op had gewezen dat er gekozen is voor een “convergentiemodel”, had ik hier compleet overheen gelezen en gedacht dat bedoeld wordt dat iedere wereldburger evenveel rechten krijgt. 

De grote vraag is: hoe eerlijk is dit? Rijke landen hebben immers het meest bijgedragen aan het klimaatprobleem terwijl de arme landen er – nu al – de meeste negatieve effecten van ervaren. De Klimaatwet zegt hier niets over.

Concluderend

Zonder het expliciet te maken koos Nederland dus voor een reductiedoel dat hoort bij het 2 gradendoel uit het Verdrag van Parijs en de kans op succes die bij dat doel hoort is 66 procent. En door de huidige uitstootverhouding als vertrekpunt te nemen, heeft Nederland als rijk land nog een hele tijd voordeel van zijn huidige voorsprong in uitstoot. Een voordeel dat ten koste gaat van de armere landen.

Met dit klimaatdoel weten we zeker dat we niet onder de 2 graden gaan uitkomen. Tegen een achtergrond van nu al smeltende ijskappen en toendra’s en grote bosbranden in Australië, Californië, de Amazonas en de poolcirkel voelt dat als enorm risicovol en onverantwoord.

Extinction Rebellion en de Partij voor de Dieren kiezen wel voor meer zekerheid op een leefbare toekomst, namelijk voor het 1,5 gradendoel. Bovendien kiezen ze voor een eerlijke verdeling van het resterende CO2-budget over de wereldbevolking. Dat verklaart ook de grote verschillen in jaartallen van klimaatneutraliteit (2025 en 2030 ten opzichte van 2050).

Aanscherping Klimaatwet onvermijdelijk

Met zijn Klimaatwet heeft Nederland zichzelf op een niet al te ambitieuze invulling van het Verdrag van Parijs getrakteerd. Overigens is het uiteraard wel heel goed en belangrijk dat er nu een Klimaatwet is. Alleen zal de wet snel aangescherpt moeten worden zodat er meer zicht op een leefbare toekomst ontstaat en de lasten eerlijk verdeeld worden. De wet moet binnenkort toch al aangescherpt worden omdat de EU hogere reductiedoelen heeft vastgesteld.

Bovendien blijkt uit een inventarisatie van de inspanningen die de diverse landen willen leveren in het kader van het Verdrag van Parijs dat we op deze manier het 2 gradendoel nooit gaan halen. We zijn juist hard op weg naar 3 graden opwarming en meer. Daarom zullen de internationale afspraken en daarmee ook ons klimaatdoel vroeg of laat aangescherpt moeten worden. We kunnen beter in één keer een futureproof klimaatdoel stellen, anders strompelen we van aanscherping naar aanscherping en zullen we steeds opnieuw pijnlijk ‘verrast’ worden.

Dit artikel verscheen op 12 maart 2021 op Joop.nl